‘Wenn Sie so, dann ich so, und Pferd fliegt’

(Timofej Pavlowitsj Pnin als schaker)


   

Timofej Pavlowitsj Pnin, voor het leven veroordeeld tot een taal waarin hij zich slechts gebrekkig kan uitdrukken, is een van Nabokovs sympathiekste personages. Pnins omzwervingen, van St Petersburg via Parijs naar de Verenigde Staten, komen ten dele overeen met die van Nabokov zelf en talloze andere Russische emigrés, onder wie ook de naamloze ‘ik’ die hier de rol speelt van hoofdschuddende verteller. Daar moet direct bij worden gezegd dat Pnin deze verteller ontmaskert als onbetrouwbaar. Maar ach, wie luistert naar Pnin.
[...]

   

[...]
De Nabokoviaanse kunstgrepen verbergen niet dat de figuur in wezen tragisch is. Pnin is balling, een slachtoffer van omstandigheden die zich buiten hem hebben voltrokken en een vertegenwoordiger van de Russische cultuur uit het tsarentijdperk die door het bolsjewisme vernietigd werd. Wat hem redt van pathos en zelfmedelijden is een weigering, of onvermogen, om buiten Tolstoi, Gogol of Poesjkin iets te ontdekken van werkelijk belang. Pnin is gehuld in een verdwenen verleden als in een harnas, dat hem tegen de huidige wreedheden beschermt. Zo raakt het komische vermengd met het panische: Pnins enige zelfbehoud is ook steeds de potentiële oorzaak van zijn ondergang.


(uit de flaptekst van Marja Brouwers voor Vladimir Nabokov, Pnin. Bezige Bij, Amsterdam 1993)

       

Vladimir Nabokov (1899-1977) werd geboren in Petersburg. Na de revolutie van 1917 vluchtte het gezin naar Berlijn. Van 1919 tot 1923 studeerde Nabokov Franse en Russische letterkunde en entomologie in Cambridge. Vervolgens woonde hij in Berlijn en Parijs. In 1940 vestigde hij zich in de Verenigde Staten, waar hij als hoogleraar verbonden was aan verschillende universiteiten. Twintig jaar later keerde hij terug naar Europa en woonde sindsdien in het Palace Hotel in Montreux. Hij werd begraven op het Cimétière de Clarens in Montreux.

Tot 1940 schreef Nabokov in het Russisch, daarna in het Engels. Tevens begon hij met hulp van zijn zoon zijn Russische boeken in het Engels te vertalen. De grote doorbraak kwam met zijn, in die tijd gewaagde, roman Lolita. Aanvankelijk uitgegeven door Maurice Girodias (Olympia Press, Parijs) in 1955, later in 1958 in New York.

Een overzicht van zijn romans en verhalen:

1926 - Masjenka (Mary / Masjenka)
1928 - Korol, Dama, Walet (King, queen, knave / Heer, vrouw, boer)
1930 - Zasjita Loezjina (The defence / De verdediging)
1932 - Podwig (Glory / Glorie)
1933 - Kamera obskura (Laughter in the dark / Een lach in het donker)
1934 - Wozvrasjenie (Despair / Wanhoop)
1936 - Priglasjenie na kazn (Invitation to a beheading / Uitnodiging voor een onthoofding)
1938 - Dar (The gift / De gave)
1938 - Sogljadatai (The eye / Het oog)
1940 - Wolsjebnik (The enchanter / De tovenaar) [postuum uitgegeven]
1941 - The real life of Sebastian Knight (Het werkelijke leven van Sebastian Knight)
1947 - Bend sinister (Gebroken schild)
1951 - Conclusive evidence
1955 - Lolita (Lolita)
1957 - Pnin (Pnin)

   

1958 - Nabokov's dozen (verhalen)
1962 - Pale fire (Bleek vuur)
1966 - Speak, memory (Geheugen, spreek) [uitgebreide versie van Conclusive evidence]
1969 - Ada (Ada)
1972 - Transparant things (verhalen)
1973 - A Russian beauty (verhalen)
1974 - Look at the Harlequins! (Let op de Harlekijn)
1975 - Tyrants destroyed (verhalen)
1977 - Details of a sunset (verhalen)

Postuum, onvoltooid:
2009 - The original of Laura (Het origineel van Laura)

Al zijn romans en verhalen van Nabokov zijn in Nederland opnieuw en compleet uitgegeven door De Bezige Bij (1991-1996). De verhalenbundels onder de titel Verzamelde verhalen I en II. Een selectie uit zijn brieven (door zijn zoon Dmitri) verscheen in het Nederlands onder de titel Zuivere kleuren in de reeks Privé Domein bij De Arbeiderspers (1993).